Licht en veiligheid 2

Licht 's nachts blijft me boeien. Ik reed door het Wilhelminapark in Utrecht, zo'n donker park in een verder goed verlichte stad; iedereen kent wel zo'n plek. Door het park loopt een prachtig fietspad waar honderden fietsers rijden. Een van die grote voordelen van door een stad fietsen is dat je ergens veel sneller bent, dank zij dit soort fietspaden.

Nu zijn er een aantal lampen stuk. Is dat onveilig? Ik had ervan gehoord en reed er voor de lol eens langs. Wat gebeurt er als je daar fietst? Je ogen zijn goed gewend aan het licht en opeens in zo'n park verdwijnt het licht; je ziet weinig om je heen, je ziet nog vaag het pad wat afsteekt tegen het groen er naast, opeens maak je je zorgen over of er een andere onverlichte fietser aan komt, of loopt daar wat? Voordat je eigenlijk aan de situatie gewend bent, ben je het stuk alweer voorbij en is de vertrouwde omgeving er weer, een poel van licht omgeeft je en je weet dat je tenminste nergens tegen op kan botsen.

Hte voelt inderdaad niet vielig. Het meest elementaire wat licht doet 's nachts is dat je je directe omgeveving tenminste kan zien en dat je niet ergens tegen op botst, struikelt en dergelijke.

Moet je daar om alles maar verlichten? In een stad krijgen je ogen geen kans om hun werk in het donker te doen. Er is zoveel licht dat donker inderdaad donker is. Als je je ogen de tijd geeft dan kunen ze veel meer dan stadsbewoners weten.

Lichthinder

Lichthinder is hinder door licht. Klinkt logisch net als geluidhinder, hinder door geluid is. Er moet dus licht zijn en hinder. Over dit laatste wil ik het hebben: de vraag is of er hinder kan zijn als er geen gehinderde is? Kan er iets zijn als een potentiele gehinderde? Moet de gehinderde een mens zijn of kan het ook een hond, regenworm of zelfs een weegbree zijn? Kan een rots gehinderd worden door licht?

Het laaste lijkt de grens, maar ik zou zeggen dat elke vorm van leven leven in het algemeen gehinderd lijkt te kunnen worden. Leven bestaat bij de gratie van de toevallige gunstige omstandigheid van zoveel zuurstof, zo veel warmte, druk etc. Een van de factoren die voor een levensvorm gunstig of juist niet gunstig kan zijn is de het type licht: hoeveelheid, kleur (spectrum) of zelfs eventueel de polarisatie van het licht. Dat geldt voor overdag als ook voor 'snachts.

Het is moeijk om daar richtlijnen voor op te stellen. De discussie over amber licht voor vleermuizem, groen licht voor trekvogels maakt duidelijk dat richtlijnen die voor de ene levensvorm gunstig zijn voor een andere soort ongunstig kunnen zijn.

Om richtlijnen dan maar alleen voor de mens te bepalen lijkt vooral erg egocentrisch en kortzichtig en is potentieel een gevaarlijke optie.

Wetenschap

Een aantal maanden geleden citeerde ik uit een onderzoek van psycholoog D. Stapel over discriminatie en veiligheid. Ik moet nu constateren dat dit onderzoek helemaal niet heeft plaatsgevonden. Het zet me aan het denken. Als psycholoog met ook een beta achtergrond ken ik de beide onderzoekstradities enigszins.

Bij alle wetenschappelijk onderzoek is er een frame, een  traditie waarbinnen je onderzoek plaats vindt. Meestal is je hypothese of de vewachting daarop gestoeld en als je resulaten dan daarmee in overeenstemming zijn dan ben je tevreden en denk  je 'dat heb ik goed gedaan'. Als ze ermee in tegenspraak zijn dan ga je doordenken. doe ik iets fout, zie ik iets over het hoofd, denk aan het sneller dan het licht experiment van afgelopen weken. Dat geldt nog meer als je opdrachtgever graag een bepaalde uitkomst heeft: melk is goed voor je gezondheid.

Het probleem is dus dat je in het ene geval snel tevreden bent, publiceert en doorgaat terwijl je bij iets anders aarzelt, het stilhoudt, niet publiceert of je conclusies wat oprekt en dus in extreme gevallen maar wat verzint.

Zo kunnen mensen buiten de wetenschap, de wetenschap dan ook makkelijker afdoen als ook maar een mening is,  zoals tegenwoordig geregeld gebeurt bijvoorbeeld bij het klimaat- en evolutie onderzoek.

Het geval Stapel is dus zeker niet 'normaal' maar ook weer niet helemaal losstaand van de manier waarop er wetenschap bedreven wordt. De hele wetenschappelijke wereld zou toch hier lering uit moeten trekken en stingenter met data, conclusies moeten zijn. Ik in ieder geval ben weer alerter op mijn eigen metingen en data zoals ik die genereer op dit moment voor de provincies Friesland en Noord-Holland en kritisch op beinvloeding door mijn eigen frame, mijn eigen agenda die ik natuurlijk ook heb.

 

 

 

Licht en veiligheid 2

In de Volkskrant van afgelopen zaterdag 3 september stond een zeer lezenswaardig interview met een hoogleraar economie die ik niet kende: Esther-Mirjam Sent (wat een toepasselijke naam voor een econome).

De centrale zin die opviel was: de angst regeert in Nederland. Een zin waar ik het helemaal mee eens ben. Politici zijn bang, bang voor het verweesde volk dat geen andere identiteit meer heeft dan consument zijn.

Een consument met keuze stress die in een niet te controleren maatschappij zoekt naar zekerheden bij de overheid of bij de overvloed aan verzekeringen. Vroeger hadden we nog de sterren die ons in ieder geval het juiste perspectief gaven dat we inderdaad klein en nietig zijn. Als mensheid zijn we opgegroeid in de wetenschap dat de krachten om ons heen groot zijn en 'snachts kropen we tegen elkaar bij het schijnsel van het vuur.

Het elektrisch licht gaf ons macht over de nacht, maar onze nietigheid is nog steeds hetzelfde gebleven. We zijn echter het zicht daarop door de lichtvervuiling kwijtgeraakt.

Licht en veiligheid

Licht hoort bij veiligheid. Ogen als de beste manier om een beeld te krijgen van de omgeving vanwaar gevaar dreigt.

Ik las een boek waar een prachtig citaat in stond dat ik nog niet kende, van de schrijver van Walden Henry David Thoreau: I believe that men are generally still a little afraid of the dark, though the witches are all hung and Christianity and candles have been introduced.

Lampen en godsdienst als tegenpool van angst.  De mens is van nature angstig. Zonder angst geen verzekering, zonder angst geen kapitalisme. Wel heel grote sprongen, maar het komend jaar wil ik dit meer gaan onderzoeken. Kan ik ook nog eens dat boek 'Angst im Kapitalismus' dat studenten van mijn generatie allemaal gelezen hebben, weer eens uit de kast halen (of heb ik het al weg gegooid).

Dat sluit aan bij dat de hersens van een stadbewoner alerter zijn en dus sneller op gevaar gefocust zijn; een onderzoek  dat deze week bekend werd. Er is nog veel te onderzoeken.

Troep leidt tot discriminatie

Deze zin stond boven een artikel in de Volkskrant van 8 april 2011. Het ging over een onderzoek van een Nederlandse psycholoog en  socioloog, Stapel en Lindenberg, naar de relatie tussen orde en de manier waarop we onze medemens benaderen. Op een vuil station was de neiging om de veilige weg te kiezen en dus naast een op jou gelijkende persoon te gaan zitten groter dan op een netjes onderhouden station.

Het onderzoek werd alleen bij blanken gedaan die dus eerder naast blanken gingen zitten. Lindenberg wordt aangehaald die meldt: 'chaos activeert de stereotypen in je hoofd, zoals zwarten zijn niet te vertrouwen. Dus neem je maatregelen en ga je automatisch verder van een zwarte persoon afzitten.'

Ik moest direct denken aan de manier waarop we met licht omgaan. Licht suggereert een vorm van veiligheid om je heen. Als je dus in een drukke chaotische omgeving leeft en werkt zoals in steden in het westen van het land hebben mensen eerder behoefte om de veiligheid op te zoeken en meer licht te plaatsen. Op zich zelf is dat logisch, maar het lijkt wel door te slaan:  als ergens veel licht is, wordt er vaak meer licht bij geplaatst. Als jouw buurman een lamp plaatst in zijn tuin dan moet het wel onveilig zijn dus moet je er ook één plaatsen. Als de overheid elke buitenweggetje verlicht dan gaan we zelf onze oprijpad ook verlichten. Ga naar Zeeland of Friesland, geen boerderij is verlicht, maar ga naar de Randstad en elke villa in het buitengebied heeft lampen rondom.

Mist

Ik reed laatst door de mist naar huis. Wat me opviel is dat je bijvoorbeeld 50 meter weg voor je kan zien maar de lichten door de mist van veel verder ziet prikken, ruwweg van 150 meter, dus drie maal zo ver.

Dat is helemaal in overeenstemming met resultaten van mijn  eigen onderzoek naar horizonvervuiling.

's Nachts zie je verder dan overdag. Stel dat het zicht 5 kilometer is dan kun je inderdaad overdag ruwweg 5 kilometer weg kijken. 's Nachts echter kun je lampen op een afstand tot maximaal  15 kilometer zien.

 

Hieronder een mooi voorbeeld hiervan: een natuurgebied ten noorden van Utrecht, de Westbroekse Zodden, ziet er overdag zoals links uit terwijl 's nachts de verrommeling veel groter is.

Meestal  is het minder evident, omdat er bijvoorbeeld  bomen of andere obstakels tussen staan, waardoor je niet zo ver kan kijken.

 

(download)

Geluksvogels

Ik kreeg onlangs een stukje uit het boek Geluksvogels van  Sebastien Valkenberg toegeschoven.

Het is een boek over het feit dat je je gelukkig mag prijzen in de huidige tijd te leven. In het boek wordt ook Platform Lichthinder genoemd en worden mensen die de overmaat aan licht aan willen pakken als cultuurpessimisten te kijk gezet.

Ik denk dat hij helemaal gelijk heeft; er is geen tijd en plek waarin je zoveel mogelijkheden hebt. Helaas geldt dat alleen voor de circa 1 miljard mensen in de westerse wereld. Dankzij het werk van de andere 5 miljard kunnen we dat. Helaas gaat hij ook voorbij aan het feit dat 6 miljard mensen die al die mogelijkheden willen benutten de voorraden benutten die andere levende wezens op deze aarde ook zouden willen benutten.

Tenslotte dat die 1 miljard mensen die mogelijkheden met een dermate fanatisme benutten, dat over een eeuw deze tijd als de 'tijd van het grote potverteren' gekend zal worden.

Dat een groep mensen zich teweer stelt en meldt dat minder licht heus niet minder veilig maakt en dat een lamp die recht omhoog straalt niets daaraan bijdraagt, is niet meer dan logisch en vormt een goed tegenwicht.

Hoeveel licht?

Onlangs heb ik het onderzoek in Amsterdam afgerond dat ik samen met KEMA uitgevoerd heb. Een verrassing was dat de gemeente naast ons onderzoek door een ander bedrijf een scan liet maken van nachtelijk Amsterdam. Op een hoogte van 5 kilometer is een aantal heldere nachten opnames gemaakt van hoe Amsterdam verlicht.

Op die beelden zijn kleine plekken te zien in verder relatief donkere straten. Je kunt overal vlekjes zien op de straat van een meter of 20 lang.Ik zat te proberen om te zien welke lampen dat waren, maar die waren er niet tot ik op het idee kwam dat dat autolampen waren.

Hoeveel bijdrage levert autolichten eigenlijk? je zou eens aan een auto kunnen meten hoeveel licht er van de weg afkomt in verschillende richtingen. Dat is vast wel bekend ergens maar kan ik zelf ook eens gaan doen.

Als je bedenkt hoeveel auto's er elk uur van de nacht rondrijden en een aanname doen over groot en gedimd licht zou je uit kunnen gaan rekenen hoeveel licht dat totaal is.

Ik denk dat het meevalt maar het is een interessante vraag die eigenlijk best een antwoord verdient.

 

Via via logica

Al enige maanden ligt er een artikel getiteld Via- via logica op mijn bureau, een column van Pieter Hilhorst in de Volkskrant.

De column beschrijft het werk van meneer Kay, Obliqity: why our goals are best achieved indirectly.

 

Het verhaal trof me en zette me aan het denken. De centrale these is dat als je iets wilt bereiken,  je niet direct op je doel af moet gaan; het is beter geen masterplan te hebben en al zoekende op je ‘doel’ af te gaan.

Kay is econoom en er worden vooral economische voorbeelden gegeven, bijvoorbeeld dat je beter niet winstmaximalisatie als doel kan hebben; je maakt meer winst als je als doel stelt, erg goed in je bedrijfstak te worden.

 

Ik ben nu tien jaar bezig en evalueer hoe deze jaren verlopen zijn en hoe het verder moet. Als ZZP-er begonnen  in een vak dat niet bestaat, had ik ook geen duidelijk doel en hoefde ook niet mijn doelen voor een manager precies op papier te zetten.

Ik heb gezien de onduidelijkheid over wat mijn vak inhoudt geen helder doel kunnen stellen en merk pas vaak achteraf waar het heen gaat. Dat blijkt dus wetenschappelijk onderbouwd te zijn. Geen wonder dat het zo goed met me gaat.

 

Zijn managers met hun rechte wegen de dood in de pot?